Het centrum van de ijzerproductie lag vroeger niet in het Ruhrgebiet, maar in het Sauerland en het Siegerland. Dit kwam door de overvloed aan bossen en erts in deze gebieden, want voor het smelten van ijzererts had men destijds, naast het erts, grote hoeveelheden houtskool nodig. Daarnaast moest de bevolking in dit bergachtige deel van het land vanwege de onvruchtbare grond en de ongunstige weersomstandigheden al in die tijd op zoek naar andere bronnen van inkomsten dan de landbouw.
De naam ‘Rennfeuer’ is daarbij afgeleid van ‘zerronnen’ of ‘laten wegvloeien’ van de slakken. In de directe omgeving van landgoed Berentrop werd in 1965 door Manfred Sönnecken de best bewaarde Rennofen van het Märkische Sauerland ontdekt, die werd gedateerd op de 13e eeuw. De oven is gemaakt van klei en leem en heeft een diameter van 50 cm en een schachthoogte van 80 cm, maar had oorspronkelijk waarschijnlijk een hoogte van ongeveer 130-150 cm. De uitgang van de vuurhaard, die destijds tijdens het smeltproces was afgesloten, hadden de ijzersmelterijen na het smelten opengebroken om de vloeibare slakken weg te laten lopen en de ‘ijzerklomp’, d.w.z. het stuk ijzer, eruit te halen.
Om te voorkomen dat de geopende smeltoven verder zou afbrokkelen, moest dit deel opnieuw worden gerestaureerd. In de linker ovenwand bevindt zich op 20 cm hoogte boven de bodem een vuistgroot luchtgat, waarin oorspronkelijk een uit klei gebakken spuitmond (binnendiameter 3 cm) was geplaatst. Met behulp van een voetbalg, die in een komvormige uitsparing was aangebracht, werd hier lucht in het binnenste van de oven geblazen. Het ijzererts werd gewonnen in de nabijgelegen dagbouwmijn en naar de smeltplaats vervoerd. Hier werd het erts bewerkt door het tot de grootte van een noot of erwt te vermalen en in een houtskoolvuur te roosteren.
De houtskool, die ook als brandstof voor de oven diende, werd gewonnen op omliggende houtskoolplaatsen. Voor één smeltproces verbruikte men ongeveer 150 kg erts en 500 kg houtskool en verkreeg men na ca. 8-9 uur een ruwe ijzerklomp van ongeveer 15 kg, die nog aanzienlijk verontreinigd was door houtskool en slakken en vervolgens in de smederijen verder werd verwerkt.
Met hulp van de stad Neuenrade, het Märkischer Kreis en het Westfaalse Bureau voor Monumentenzorg werd in 1983 een beschermende overkapping voor de smeltoven gebouwd, zodat dit technisch cultureel monument voor elke geïnteresseerde burger toegankelijk is.
Bezichtiging
De smeltoven kan te allen tijde worden bezichtigd of op afspraak bij de heer Peter Heymann (02392/507240).




